Libau jaarverslag 2025
In het Jaarverslag 2025 van Libau deel ik mijn visie op de Omgevingswet, gemeentelijk beleid en het belang van vroegtijdige samenwerking. Ik laat zien waarom duidelijke ambities, actuele kennis en een integrale aanpak onmisbaar zijn om kwaliteit ook op de lange termijn te waarborgen.
Tekst: Kees de Graaf
Anton Saman en het lokale kwaliteitsbeleid, een meervoudige verbintenis
Opgeleid als jurist met kennis van het bestuursrecht, is Anton Saman in de loop van de tijd helemaal in het fysiekruimelijke domein terechtgekomen. Hij werkte bij verschillende gemeenten, eerst in Zeeland en de laatste jaren in Groningen. Sinds kort is hij ook raadslid in Stadskanaal. Bij Libau is hij dan ook helemaal op zijn plaats, als voorzitter van de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit voor Groninger gemeenten.
Het is een interessante vraag die Anton Samen krijgt voorgelegd: hoe borgen gemeenten hun omgevingskwaliteit in de volle breedte. Is daar voldoende kennis voor in huis? Waarbij het niet alleen om instrumenten gaat, maar ook om de rollen die een gemeente vervult. Het is een thema waar Saman de nodige trainingen en cursussen over heeft verzorgd. Door zijn werk bij gemeenten kan hij ‘van binnenuit’ zijn ervaringen delen. Die kennis beslaat inmiddels een periode van bijna 50 jaar, opgebouwd bij acht gemeenten. Het doceren kwam daar de laatste jaren bij: ‘In de aanloop naar de Omgevingswet ben ik trainingen daarover gaan geven. Met alle specialisaties die daar bij horen, van een “omgevingstafel” helemaal aan het begin van een project tot en met omgevingsvisie, het omgevingsplan en -programma’s. Hoe ga je met initiatieven om, maar ook bijvoorbeeld: wat zijn de tips and tricks bij het werken met BOPA’s, de Buitenplanse Omgevingsactiviteit – de procedure die gemeenten lopen bij een afwijking van het omgevingsplan.’
Omdat hij de afgelopen jaren door het gehele land heeft gereisd, heeft Saman een behoorlijk goed beeld van hoe gemeenten nu – ruim twee jaar na de invoering – werken met de Omgevingswet. Die overview stemt hem niet gerust: ‘Ik zie een hoge werkdruk bij medewerkers, waardoor ze ook te weinig tijd hebben om kennis op te bouwen op dit gebied. Het begint met een duidelijke ambitie. Wat vinden we belangrijk? Waar willen we naartoe? Ook ontbreekt het vaak aan expertise, voldoende capaciteit en een goede samenwerking, bijvoorbeeld tussen de vergunningverleners en de mensen van ruimtelijke ordening. Ik zie bijvoorbeeld ook dat omgevingsvisies te weinig strategisch van karakter zijn. Dat er bijvoorbeeld geen dwarsverbanden worden gemaakt naar het gemeentelijk grondbeleid. Dan wordt het lastig om als gemeente je ambities waar te maken, bijvoorbeeld rond de versnelling van
de woningbouw. Om goed te kunnen reageren op de initiatieven die zich vanuit de samenleving aandienen moeten de processen op orde zijn.’
En dat terwijl in theorie de instrumenten er wel degelijk zijn om te komen tot een goede gemeentelijke inzet, zo geeft Saman aan. Hij wijst bijvoorbeeld op het ‘omgevingsprogramma’, dat weliswaar niet verplicht is volgens de Omgevingswet, maar wat wel – gebiedsgewijs – veel inhoudelijke thema’s kan verbinden. ‘In Groningen kun je bijvoorbeeld denken aan wonen, werken, duurzaamheid, de transformatie van het landelijk gebied en het omgaan met de gevolgen van de aardbevingsschade.’ En natuurlijk omgevingskwaliteit. Door aan een dergelijk programma ook een sterke uitvoeringsagenda te verbinden, wordt het voor gemeenten mogelijk om daadwerkelijk te gaan sturen, maar gemakkelijk is dat niet, in een tijd waarin de druk heel hoog is – met name rond de bouw van woningen. ‘Rijk en provincies rammelen aan de gemeentelijke poort. De gemeente moet locaties aanwijzen, maar tegelijkertijd moet je ervoor waken dat snelheid niet ten koste gaat van kwaliteit op de lange termijn anders krijgt de volgende generatie de rekening.’
Wat Saman betreft moet de omgevingskwaliteit direct bij het begin van de ontwikkeling van nieuwe woongebieden worden meegenomen. ‘Het begint met een goede analyse van het gebied, wat speelt daar allemaal. Vervolgens is het zaak om alle ambities op een rij te zetten. Zet een gemeente in op verdichting of is er ook plek voor groen en water – wil het gemeentebestuur daarin investeren?
‘‘Het begint met een goede analyse van het gebied, wat speelt daar allemaal.’
Hoe gaat ze om met de betaalbaarheid van het wonen? Als daar meer zicht op is, kun je als gemeente ook de maatschappelijke omgeving er op een goede manier bij betrekken.’ Bovendien liggen hier kansen om ook andere overheden bij een gebied te betrekken. ‘De provincie heeft ook doelstellingen die zij, gebiedsgewijs, wil realiseren. Aan de hand van het omgevingsprogramma kun je dan heel goed over en weer zaken uitwisselen. Lokaal kan het dan goed worden aangestuurd, maar de provincie kan het ook weer borgen in haar plannen.’
Een belangrijk aandachtspunt bij dit alles is dat de gemeente, in relatie tot de partijen die willen ontwikkelen en bouwen, ervoor zorgt dat haar kosten goed worden afgedekt. ‘In de wet is dat kostenverhaal goed geregeld. Pas dat goed toe, zou ik zeggen. Dan kun je aan de publieke kant ook de mensen betalen die goede dingen op papier kunnen zetten over de omgevingskwaliteit van een gebied. Het interessante van de Omgevingswet is dat deze een koppeling mogelijk maakt van een omgevingsprogramma met het kostenverhaal, de grondexploitatie en de bijdragen van private partijen.
‘‘Het gaat om het geheel van de fysieke leefomgeving, daar zijn we met elkaar verantwoordelijk voor. We doen het voor de samenleving die initiatieven bij ons neerlegt, het is onze taak om daar zo goed mogelijk mee om te gaan.’’
Maar dan moet een gemeente daar vanaf het begin gestructureerd en strategisch op inzetten. Je moet het echt goed verankeren.’
Ook bij de ontwikkeling van concrete bouwprojecten heeft een gemeente genoeg tools in huis om te kunnen sturen op de ruimtelijke kwaliteit ervan. Saman licht toe: ‘Ook in Groningen willen marktpartijen graag ontwikkelen en bouwen. Dan kan een gemeente, bijvoorbeeld bij de uitgiftevoorwaarden van een tender op een plek waar zij zelf de grond bezit, de nodige kwalitatieve eisen stellen. En mijn ervaring is dat de markt dat over het algemeen prima kan volgen. Ook waar het gaat over het kostenverhaal op locaties waar de gemeente de grond niet zelf bezit. Maar je moet er wel een goed verhaal over hebben en dat vanaf het begin goed voor het voetlicht brengen.’ Vroegtijdig in gesprek gaan, het is volgens Saman cruciaal om processen goed te doorlopen:
‘Ik zie het ook in mijn werk als commissievoorzitter: wat vaak enorm helpt is als een gemeente al een eerste ontwerp bij de commissie neerlegt – en niet wacht tot alles al is uitgedetailleerd. Door die vroege dialoog kunnen de leden van de commissie nog goede handreikingen doen, waar ook de opdrachtgever mee gebaat is. En dan kunnen kwaliteit en snelheid wel degelijk samengaan.’ Proces en inhoud gaan wat hem betreft daarbij hand in hand, ook bij gemeenten zelf: ‘Een goede intake van initiatieven aan de voorkant, met een aantal senior medewerkers erop die opdrachtgevers goed kunnen begeleiden. Om het plan vervolgens verder te brengen naar een kwaliteitstafel waarbij diverse gemeentelijke disciplines mee kijken en denken. Die integrale manier van werken werkt beter dan eindeloze afvinklijstjes.’
Een basisvoorwaarde voor deze manier van werken is wel dat het gemeentelijk beleid op alle thema’s die tegenwoordig spelen – tot en met de natuurinclusiviteit aan toe – goed op orde is. ‘En dat is niet altijd het geval en dan druk ik me nog voorzichtig uit. Wat er dan gebeurt: er komt een initiatief voor een bouwproject binnen en vervolgens start de zoektocht om te achterhalen wat er beleidsmatig allemaal op papier staat. Medewerkers moeten dan eindeloos allerlei afdelingen langs om het vigerend beleid boven tafel te krijgen – als het er al is. Het wiel wordt vaak opnieuw uitgevonden, maar de daarbij opgedane kennis wordt niet gedeeld. En ja, dan kun je het dus heel erg druk hebben met elkaar.’
Zijn slotpleidooi: zoek de samenwerking op. ‘Het gaat om het geheel van de fysieke leefomgeving, daar zijn we met elkaar verantwoordelijk voor. We doen het voor de samenleving die initiatieven bij ons neerlegt, het is onze taak om daar zo goed mogelijk mee om te gaan.’